start

mannelijk (de)/stɑrt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) begin van een wedstrijd
    De start van de competitie.
  2. (bij uitbreiding) aanvang, begin, eerste fase van iets in het algemeen
    Na een aarzelende start van Lobbes spoorde ik Lot aan om te zeggen hoe zij zich voelde.
    Maar ik wil graag een nieuwe start maken.
    De familie zette ons die middag af bij de start van onze route en nam hartelijk afscheid van ons.

Etymologie

*van "start", doublet met storten.

Vertalingen

Engelsstart, starting
Fransdépart
DuitsStart
Poolsstart, początek