starten
/ˈstɑrtə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iets op gang brengenHij had zijn motor nog niet gestart.
- (erga) ergens een begin mee makenHij is al vroeg in de morgen gestart.Ze leek precies op Meg Ryan uit de film The Doors met haar ronde zonnebrilletje en blije hippie-uitstraling. Deze 21-jarige Jet uit Madison, Wisconsin, was een week voor mij gestart en had een enorme hoeveelheid tatoeages.Hierdoor starten de meeste North Bounders (NOBO) tussen maart en mei om in september het eindpunt te bereiken.
Etymologie
* Afgeleid van start
Vertalingen
Engelsstart
Duitsstarten, anfangen, beginnen
Spaansarrancar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek