stekeligheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het boos en geïrriteerd zijn`Wees niet zo verschrikkelijk kleingeestig. Er zijn zat lesbische moeders.' Ze laat zich dieper in het water zakken en voelt de spanning uit haar lichaam wegebben, waarmee ook haar stekeligheid verdwijnt.“Nou niet zo vervelend doen. Ik heb best mijn momenten van stekeligheid.”
- iets waaruit blijkt dat men boos en geïrriteerd is
Etymologie
* afleiding van stekelig
Vertalingen
Engelsspitefulness, sarcasm
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek