stekeligheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het boos en geïrriteerd zijn
    `Wees niet zo verschrikkelijk kleingeestig. Er zijn zat lesbische moeders.' Ze laat zich dieper in het water zakken en voelt de spanning uit haar lichaam wegebben, waarmee ook haar stekeligheid verdwijnt.
    “Nou niet zo vervelend doen. Ik heb best mijn momenten van stekeligheid.”
  2. iets waaruit blijkt dat men boos en geïrriteerd is

Etymologie

* afleiding van stekelig

Vertalingen

Engelsspitefulness, sarcasm