stoep
mannelijk/vrouwelijk (de)/stup/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- meestal stenen verhoging bij de ingang van een woningZij was de stoep aan het boenen.Ik bleef wel een halfuur op de stoep zitten en voelde mijn benen en armen stijf worden.
- (verkeer) vaak verhoogd onderdeel van een weg bedoeld voor voetgangersDe stoep was onbegaanbaar vanwege de vele losliggende tegels.Jaap loopt op de stoep.De zomer liep ten einde; Londen bestond uit uitlaatgassen, peuken op de stoep en een lucht vol vederwolken.
- horizontaal gemaakt vlak langs een waterkant, gebruikt voor werkzaamheden of als deel van een brug
- (waterbeheer) op- en afrit langs een dijk
Etymologie
**[4] in de betekenis ‘oprit van een dijk’ gebruikt in de delta van de grote rivieren
Uitdrukkingen
- op de stoep staan
Vertalingen
Engelspavement, sidewalk, footpath
Fransperron, trottoir
DuitsTürstufe, Eingangstreppe, Trottoir
Spaansacera
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek