surprise

vrouwelijk (de)/sʏrˈpriːzə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een op een speciale manier ingepakt cadeau
    Voor Sinterklaas had hij een extra grote surprise gemaakt.
  2. verrassing
    Daarachter ontvouwde zich het tweede deel van het plein, als een verborgen surprise, geflankeerd door het onwereldse dogepaleis, dat leek te zweven met twee breekbaar ogende, opengewerkte benedenverdiepingen onder een stoere, middeleeuwse bovenbouw, en de twee zuilen waarachter het plaveisel zonder muurtje, hek, verkeersbord of waarschuwing overging in het water van Canal Grande, de lagune en de open zee.

Etymologie

* Leenwoord uit Frans "surprise" , in de betekenis van ‘verrassing’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599.

Vertalingen

Engelssurprise gift
Franssurprise
DuitsÜberraschung
Spaanssorpresa