tap
mannelijk (de)/tɑp/
Wat is de betekenis van tap?
tap betekent: uitsteeksel, stomp
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- uitsteeksel, stomp
- (techniek) (conisch) uiteinde van een as
- (techniek) uiteinde van een staaf of draadeind
- (muziekinstrument) dunner gemaakte uiteinde van de buis van een blaasinstrument
- (techniek), (metaalbewerking) hardstalen staafje met schroefdraad waarmee binnendraad wordt getapt
- (techniek) houten pen ter borging van een pen-en-gatverbinding
- (techniek) afsluiting en aftapkraan van een vat
- (techniek) aftak- of aansluitpunt op een kabel of leiding voor water-, gas- elektriciteit, etc.
Voorbeelden van "tap" in een zin
- Op de plaats waar de tak is afgezaagd is nog altijd een tap zichtbaar.
- De tappen worden uit de lagers gelicht.
- De tap van de schroefbout is te lang.
- De tappen van deze blokfluit mogen wel eens worden ingevet.
- Een setje van drie tappen.
Etymologie
*van Middelnederlands "tappe" “afsluitpin in een vat”, in de betekenis van “afsluiter” aangetroffen vanaf 1233 Dit woord gaat terug op Germaans *tappan-, *tappon- “afsluitpin, afsluiter”, vergelijk "tap" en "Zapfen"
Vertalingen
Engelspivot, spigot, gudgeon
Franstaraud
DuitsStummel, Stumpf, Zapfen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek