terminal

mannelijk (de)/ˈtʏrmɪnəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. informatica (informatica) een apparaat waarmee een computer op afstand interactief te bedienen is
    De informatie wordt verzonden naar een terminal.
  2. transport (transport) distributie- of transportknooppunt, zoals een overslagterrein bij een haven of een overstapknooppunt
  3. verkeer (verkeer) de ruimte op een vliegveld of in een haven waar passagiers aankomen en vertrekken
    De passagiers werden opgevangen in de terminal.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘eindstation’ voor het eerst aangetroffen in 1973