timmerman

mannelijk (de)/ˈtɪmərˌmɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
    De timmerman ging na veertig jaar met pensioen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘iem. die timmeren als beroep uitoefent’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelscarpenter
Fransmenuisier
DuitsZimmermann
Spaanscarpintero, carpintera
Italiaansfalegname
Portugeesmarceneiro
Russischплотник
Turksmarangoz
Zweedssnickare