Trouwen
/xxxx/
Wat is de betekenis van Trouwen?
Trouwen betekent: (erga) het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
Betekenis
werkwoord
- (erga) het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
- (ov) twee personen in de echt verbinden
Voorbeelden van "Trouwen" in een zin
- Op 3 juli ga ik trouwen met mijn vriendin.
- Ik heb nooit alleen gewoond, ik ben altijd met anderen op pad en ik ga met mijn gezin op vakantie of met vrienden een weekendje weg. Een doodgewone veertiger met een eigen bedrijf, twintig jaar getrouwd, vader van drie, die elke zondag het gras maait.
- Wat was het probleem? Oorlog was oorlog, maar dat zou jonge mensen er niet van moeten weerhouden te trouwen, eerder andersom.
- Dat is de dominee die ons getrouwd heeft.
Etymologie
*afgeleid van trouw
Uitdrukkingen
- Beter te trouwen dan te branden
- Met de handschoen trouwen
- Over de puthaak getrouwd zijn
- Zo zijn we niet getrouwd — op die manier iets niet afgesproken hebben
Vertalingen
Engelsmarry, wed
Fransse marier
Duitsheiraten
Spaanscasar, casarse, desposar
Portugeescasar
Russischженить, идти замуж, пойти замуж
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek