uitbraak

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈœydbrak/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het plotseling stijgen van een koers op de aandelenmarkt
  2. het plotseling optreden van een besmettelijke ziekte
    De uitbraak van Ebola heeft veel levens geëist.
  3. uitbarsting van een vulkaan
  4. vlucht, ontsnapping
    Ivan Perisic dompelde Spanje in rouw vlak voor tijd, nadat hij doelman David De Gea in de korte hoek versloeg na een snelle uitbraak vlak voor tijd. NRC 22 juni 2016

Etymologie

samenstelling van uit en van breken