uitdelen
/ˈœydelə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) meerdere personen ergens op trakterenOp zijn verjaardag deelde Joost chips uit.
- (eufemisme) geven van klappen, boetes of straffenGelukkig werd er alleen wiet gevonden, dat wel geconfisqueerd werd maar waar verder geen straffen voor werden uitgedeeld.
Vertalingen
Engelsdistribute, deal out, hand out
Fransdistribuer
Duitsverteilen
Spaansrepartir, abarajar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek