uitgroeien
/ˈœytxrujə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) geleidelijk groter worden, zich ontwikkelen tot ietsHet eenmanswinkeltje is nu uitgegroeid tot een winkelketen.Van jongs af aan heeft Frens, zo vertelt hij, altijd graag gezongen en de afgelopen twee jaar groeide dat uit tot het verlangen om naar het conservatorium te gaan en beroepszanger te worden.Onder Wiggers leiding groeide Introdans uit tot een "toonaangevend dansgezelschap dat ver over de grenzen befaamd werd", zei Berends toen hij Wiggers de Gelderse onderscheiding overhandigde.
- (erga) ophouden met in de groei zijnDie operatie heeft pas zin als je uitgegroeid bent.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek