uitschieten

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. intr (intr) een onbedoelde plotselinge beweging maken
    Heeft Lobbes je uitgelegd hoe het precies zit? Hoelang hij hiermee al rondloopt, of het een bevlieging is ofm' Haar hand schiet plotseling uit naar de haverkoekjes die op tafel staan.
  2. figuurlijk, intr (figuurlijk) (intr) heftig uitvallen
  3. scheepvaart (scheepvaart) (van de wind) plotseling harder worden
  4. uitlopen, spruiten
  5. voetbal, ov (voetbal) (ov) (de bal) het veld intrappen
  6. ov (ov) door schieten wegnemen
  7. ov (ov) naar buiten gooien, vieren

Vertalingen

Engelsbud
Duitsausschießen, hochschießen
Spaansabotonar, saltar