uittrekken

/ˈœytrɛkə(n)/

Wat is de betekenis van uittrekken?

uittrekken betekent: (ov) van je lichaam af halen, kleding afleggen

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) van je lichaam af halen, kleding afleggen
  2. ov (ov) uit iets anders trekken
  3. ov (ov) een kort overzicht maken van
  4. ov (ov) er tijd of geld voor beschikbaar stellen
  5. ov (ov) lostrekken, wegtrekken
  6. erga (erga) weggaan uit

Voorbeelden van "uittrekken" in een zin

  • Hij had zijn jas uitgetrokken.
  • Er viel as van mijn sigaret op mijn pantalon terwijl ik de naam van die stad uitsprak. Hij had het gezien en voordat ik kon protesteren, had hij een van zijn witte handschoenen uitgetrokken en wijdde hij zich met volledige aandacht aan het werkje om mijn broekspijp daarmee af te kloppen. Hij had magere, donkere handen.
  • De naad in mijn onderbroek veroorzaakte zoveel pijn dat ik hem uittrok en die avond op het kampvuur ritueel verbrandde.
  • Om die splinter uit te trekken kun je beter een pincet gebruiken.
  • Hij had voor zijn examen een hele reeks boeken uitgetrokken.

Vertalingen

Duitsausziehen, entkleiden, herausziehen