uittrekken

/ˈœytrɛkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) van je lichaam af halen, kleding afleggen
    Hij had zijn jas uitgetrokken.
    Er viel as van mijn sigaret op mijn pantalon terwijl ik de naam van die stad uitsprak. Hij had het gezien en voordat ik kon protesteren, had hij een van zijn witte handschoenen uitgetrokken en wijdde hij zich met volledige aandacht aan het werkje om mijn broekspijp daarmee af te kloppen. Hij had magere, donkere handen.
    De naad in mijn onderbroek veroorzaakte zoveel pijn dat ik hem uittrok en die avond op het kampvuur ritueel verbrandde.
  2. ov (ov) uit iets anders trekken
    Om die splinter uit te trekken kun je beter een pincet gebruiken.
  3. ov (ov) een kort overzicht maken van
    Hij had voor zijn examen een hele reeks boeken uitgetrokken.
  4. ov (ov) er tijd of geld voor beschikbaar stellen
    Er werd een week voor uitgetrokken.
  5. ov (ov) lostrekken, wegtrekken
  6. erga (erga) weggaan uit
    Ze waren dat land uitgetrokken.

Vertalingen

Duitsausziehen, entkleiden, herausziehen