verkeerdheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het niet goed zijn
    Er was zoveel verkeerd, vooral aan het uiterlijk van de mensen, dat er voor die jongens slechts een smalle richel om op te leven overbleef. Er bestond eigenlijk geen kleding die niet verkeerd was. Misschien werden kledingstukken daarom verscheurd en weer met veiligheidsspelden in elkaar gezet: om ze van hun verkeerdheid te ontdoen.
  2. het fout zijn

Etymologie

* afleiding van verkeerd