voorspraak
mannelijk/vrouwelijk (de)/'vorsprak/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een rede die ten gunste van iemand wordt gehouden
- een vraag om hulp aan een heilige of godVoor Driscoll was het daarom logisch dat hij, toen hij in 2004 ziek werd, de hulp inriep van Brandsma: "Op zijn voorspraak heb ik gebeden voor mijn genezing. Met dank aan een oproepje in het bisdomblad deed een grote groep mensen met mij mee. Ook zij baden op voorspraak van Titus Brandsma."
Uitdrukkingen
- op voorspraak van iemand — op aanbeveling van iemand
Vertalingen
Engelsadvocacy
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek