vuil

onzijdig (het)/vœyl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. viezigheid, onreine materie
    Het vuil op de vloer.
    Met lappen die van een overhemd waren gescheurd en die ze onderdompelde in een schaal azijn vermengd met citroensap boende ze de ramen waar het vuil zich had opgehoopt rond de sponningen.
    ’Het werd tijd niet meer alleen te klagen over al het vuil dat ik zag,’ had Orme de barman verteld.

Etymologie

#niet schoon, bevuild

Vertalingen

Engelsdirty, filthy, dirt
Franssale, saleté
Duitsschmutzig, dreckig, Schmutz
Spaanssucio, suciedad