waanwijsheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een stommiteit, een domheid waarvan de verkondiger denkt dat het een wijsheid is; mallotige eigenwijsheidKritische kerkleden zullen op hun beurt vooral zicht moeten krijgen op hetgeen echte wijsheid is. Hun geleerdheid kan hen soms het idee geven het allemaal beter te weten of scherper te zien dan de gemiddelde kerkganger. Zij vergeten weleens dat hun wijsheid in de Bijbel soms waanwijsheid wordt genoemd. Reformatorisch Dagblad 14-08-2013 [https://www.rd.nl/opinie/commentaar/commentaar-intellectuele-kerkganger-hunkert-naar-waarheid-en-oprechtheid-1.330596 Commentaar: Intellectuele kerkganger hunkert naar waarheid en oprechtheid]
Etymologie
* afleiding van waanwijs
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek