wankelen

/ˈwɑŋkələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
    De plotselinge windvlaag deed hem wankelen.
  2. erga (erga) op onvaste wijze zich ergens heen begeven
    Hij is stomdronken naar huis gewankeld.
  3. dreigen ten onder te gaan
    Gerard Sanderinks ict-bedrijf Centric wankelt onder de aanhoudende stroom van slechte publiciteit. Die opmerkelijke bekentenis deed bestuursvoorzitter Louis Luijten maandagmorgen in de rechtszaal in Almelo.

Etymologie

* In de betekenis van ‘onvast gaan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Engelsteeter, stagger
Franstituber
Duitsschwanken, torkeln