winkelen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. van winkel tot winkel gaan en inkopen doen
    Ze winkelden de hele middag en kwamen voldaan en beladen met allerlei nieuwe kleren weer thuis.
    Iedereen op Curaçao moet thuisblijven. De regering raadde de inwoners van het eiland aan om te hamsteren. De vervroegde avondklok heeft volgens de DMO-voorzitter niet tot grote ongeregeldheden geleid onder winkelend publiek.

Etymologie

*Afgeleid van winkel