wonden

/ˈwɔndə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een wond toebrengen, verwonden
    Zeer nabij graasde een kudde buffels, waarvan wij er verscheidene wondden, doch geen enkele doodden.
  2. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) emotioneel kwetsen
    Ik weigerde en daarmee wondde ik haar diep.
    Men wondt mij met de tong.

Uitdrukkingen

  • je wonden likkenproberen de opgelopen schade of verwondingen te herstellen