zat

mannelijk (de)/zɑt/

Betekenis

voornaamwoord
  1. informeel (informeel) in voldoende mate
    Er zijn mensen zat die daar niet van houden.
    Er zijn zat mensen die daar niet van houden.
zelfstandig naamwoord
  1. afkorting, tijdrekening, dag (afkorting), (tijdrekening), (dag) zaterdag, de eerste dag van het weekeinde
    Open: di, woe, do, vrij; dicht: zat, zo, ma.|Geopend op dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag; gesloten op zaterdag, zondag en maandag.

Etymologie

#(informeel) als predicaat met oorzakelijk voorwerp: ergens genoeg van hebbend

Vertalingen

Engelsdrunk, loaded, fed up
Fransivre, saoul, soûl
Duitsbetrunken, gesättigt