zat
mannelijk (de)/zɑt/
Betekenis
voornaamwoord
- (informeel) in voldoende mateEr zijn mensen zat die daar niet van houden.Er zijn zat mensen die daar niet van houden.
zelfstandig naamwoord
- (afkorting), (tijdrekening), (dag) zaterdag, de eerste dag van het weekeindeOpen: di, woe, do, vrij; dicht: zat, zo, ma.|Geopend op dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag; gesloten op zaterdag, zondag en maandag.
Etymologie
#(informeel) als predicaat met oorzakelijk voorwerp: ergens genoeg van hebbend
Vertalingen
Engelsdrunk, loaded, fed up
Fransivre, saoul, soûl
Duitsbetrunken, gesättigt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek