zat

mannelijk (de)/zɑt/

Wat is de betekenis van zat?

zat betekent: (informeel) in voldoende mate

Betekenis

voornaamwoord
  1. informeel (informeel) in voldoende mate
zelfstandig naamwoord
  1. afkorting, tijdrekening, dag (afkorting), (tijdrekening), (dag) zaterdag, de eerste dag van het weekeinde

Voorbeelden van "zat" in een zin

  • Er zijn mensen zat die daar niet van houden.
  • Er zijn zat mensen die daar niet van houden.
  • Open: di, woe, do, vrij; dicht: zat, zo, ma.|Geopend op dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag; gesloten op zaterdag, zondag en maandag.

Betekenis en uitleg van zat

Het woord 'zat' is een vorm van het werkwoord 'zitten' en duidt op een staat van rust of een positie die men aanneemt door op een oppervlak te plaatsnemen. Het kan ook verwijzen naar een toestand van dronkenschap, waarin iemand zich vaak minder goed kan beheersen.

Je gebruikt 'zat' meestal in informele gesprekken, vooral wanneer je het hebt over iemand die veel gedronken heeft. Het kan ook een speelse of milde manier zijn om te zeggen dat iemand moe of uitgeput is. In de juiste context kan het ook een gevoel van ontspanning of ongehinderdheid uitstralen.

Voorbeelden

  • Na een lange dag werken zat ik eindelijk op de bank met een goed boek.
  • Hij was zo zat na dat feestje dat hij de volgende dag nauwelijks kon opstaan.
  • Tijdens het kamp zaten we elke avond rond het vuur en vertelde we verhalen.

Veelgestelde vragen over zat

Wat is de betekenis van zat?

zat betekent: (informeel) in voldoende mate

Hoeveel betekenissen heeft zat?

zat heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft zat?

zat is een mannelijk (de).

Wat zijn synoniemen van zat?

Synoniemen van zat zijn: beschonken, bezopen, dronkenBijvoeglijk naamwoord, lazarus, teutBijvoeglijk naamwoord.

Hoe gebruik je zat in een zin?

Voorbeeld: “Er zijn mensen zat die daar niet van houden.

Etymologie

#(informeel) als predicaat met oorzakelijk voorwerp: ergens genoeg van hebbend

Vertalingen

Engelsdrunk, loaded, fed up
Fransivre, saoul, soûl
Duitsbetrunken, gesättigt