zithoek
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- deel van een kamer geschikt om gezellig bij elkaar te zitten en de meubels die in dat deel van de kamer staanHet skelet is inmiddels af; Monné gaat voor door het houten frame. Beneden komen de badkamer, keuken en zithoek, boven is de slaapverdieping. „Ook de buitenkant wordt opgetrokken uit duurzame materialen. De wand wordt geïsoleerd met 30 centimeter cellulosevezel.” NRC Gemma Venhuizen 16 februari 2017
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek