zitten
/ˈzɪtə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) op het zitvlak rustenIk heb lekker in het zonnetje gezeten.Er wordt zelden op die stoel gezeten.Sommigen gingen wat eten en anderen zaten zwijgend voor zich uit te staren.
- (erga) zetelen, plaats genomen hebbenHij was gezeten op een troon van goud, versierd met diamanten.
- (auxl) duratief hulpwerkwoordDaar zit verandering in te komen.Hij heeft die puzzel op zitten lossen.
- (inerg) in de gevangenis een straf ondergaan
- (figuurlijk) ergens verblijven / ergens verstand van hebben
Etymologie
:Oost: : sitan
Uitdrukkingen
- (in België) verveeld zitten met iets
- Aan de grond zitten — Bijna niets meer hebben
- Aan de voeten van Gamaliël zitten — aandachtig luisteren naar de les die een wijs persoon meegeeft
- Aan het roer zitten — de leiding hebben
- Aan/op het vinkentouw zitten — in spanning iets afwachten en graag door willen
- Achter de geraniums zitten
- Als haringen in een ton zitten — zich erg dicht op elkaar bevinden
- Daar zit 'em de knoop. — daar zitten de moeilijkheden/problemen
Vertalingen
Engelssit
Fransêtre assis
Duitssitzen
Spaansestar sentado, estar
Russischсидеть
Japans座る, すわる, suwaru
Turksoturmak
Poolssiadać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek