zoldering

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) de bovenkant van een ruimte in een gebouw
    Wie in die jaren Klassieke Talen studeerde aan de UvA ziet haar nog voor zich: slanke verschijning, de onafscheidelijke sigaret, colleges altijd tot in detail in dikke multomappen voorbereid, de blik vol concentratie gericht op de zoldering. Je voelde als student dat de teksten die zij behandelde haar ter harte gingen, ja, van levensbelang waren, zeker als het om tragedie ging.NRC Joke Mat 9 december 2016
    Hanneke Wetzer: „D’r is niet veel kunst over het weer. Wel studentikoze grappen, maar wij zochten poëtisch, esthetisch werk van kunstenaars die zich verbazen over het weer. En het is gelukt, we hebben alles. Ook een sneeuwstorm. En een regenboog.” Die regenboog is van de Groningse kunstenaar Berndnaut Smilde – ik ken hem als ‘beeldhouwer’ van monumentale wolken in kamers en zalen. Hier drijven wolken in glazen bollen aan de zoldering (‘Lumière Chandelier’); wie zich uitstrekt op de kussens eronder kan wegdromen (ik zie een hert; nee dat is een theepot).NRC Joyce Roodnat 3 augustus 2016
  2. vertrek dat boven een ruimte in een gebouw ligt en daarvan is gescheiden door een plafond

Etymologie

* afleiding van zolder

Vertalingen

Engelsceiling, dropped ceiling, the floorboard that separates the, attic from the rest of the building