zotheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets wat voortkomt uit een gekke manier van denken, soms vooral als een slechte domheid, soms als iets wat ook wel grappig is
    Het is de vraag wat Erasmus zelf van het gebruik van zijn naam zou denken. De humanist, bekend van zijn werk Lof der zotheid, was een groot Europeaan, die in het halve continent leefde en navolging vond.de Telegraaf ROB SAVELBERG 23 dec. 2017
    Een experiment waarbij bijstandsgerechtigden in vier steden de ruimte krijgen om, met behoud van uitkering en afdracht van inkomsten, een eigen bedrijf te starten. 'De tafel', vond dat namelijk een zotheid van de hoogste plank, zo lieten ze nog net niet met rollende ogen en verontwaardigd gezucht en gesteun horen. Aardig arrogant en negatief, noemt VROUW-columnist Hester Zitvast het.de Telegraaf HESTER ZITVAST 05 jul. 2017
    Ik neem Plasman niet kwalijk dat hij deze partij heeft opgericht, hij heeft hiermee waarschijnlijk alleen maar de zotheid van ons huidige kiesstelsel willen aantonen. Zijn partij richt zich op de ontevreden groep Nederlanders, die denkt dat het geen zin heeft om te gaan stemmen.de Telegraaf 27 feb. 2017

Etymologie

* afleiding van zot

Vertalingen

Engelsidiocy, foolishness, lunacy