aangroeisel
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iets dat ergens aan vast gegroeid isDe voedselwebben in en op de modderige bodem van de baai, de gemeenschappen van slakken, krabben, zeesterren, zee-egels en wormen die aangroeisels vormen op meerpalen en steigers, het zoöplankton in brak water, en visgilden in zoetwater.
Etymologie
* afleiding van aangroeien
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek