aanhuppelen

Betekenis

werkwoord
  1. met kleine sprongetjes naderen
    Ondertussen fluiten ze naar Izzy en roepen ze haar naam. En dan opeens komt de Berner sennenhond aanhuppelen. De twee zijn door het dolle heen. Izzy is hier, kom hier schat. Oh, mijn God.
    Op de achtergrond komt een wit paard aanhuppelen, over de heuvels. Een Bijbels symbool; wie daarmee bekend is leest het schilderij als een verhaal.