achterklap

mannelijk (de)/ˈɑxtərˌklɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kwaadsprekerij achter iemands rug om

Etymologie

*van Middelnederlands "achterclap", op te vatten als van "achterklappen", in de betekenis van ‘kletspraat achter iemands rug’ voor het eerst aangetroffen in 1301

Uitdrukkingen

  • er zouden geen achterklappers zijn waren er geen aanhoorderser wordt alleen geroddeld als er ook naar geluisterd wordt

Vertalingen

Engelsscandal, slander
Spaanscalumnia