afvalton

vrouwelijk (de)/ˈɑfɑlˌtɔn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een groot rond hol vat waarin met overbodig materiaal kan stoppen
    Koeter controleert de boeken wekelijks. Vieze boeken wil ze niet in haar kast zien. Die gaan de afvalton in. „Ook boeken die er lang in blijven liggen, haal ik eruit. Die gaan alsnog naar de kringloop.”
    De oplichters vertelden de vrouw onder andere dat ze bij de arrestatie van een Roemeense inbrekersbende een briefje met haar adres hadden aangetroffen. De ’politiemannen’ wisten de vrouw tot vier keer toe te bewegen spullen tussen een composteerinrichting en een afvalton op de begraafplaats te leggen. De politie zoekt nu mensen die op de begraafplaats mannen met grote zakken hebben zien lopen.