ban
mannelijk (de)/bɑn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (juridisch) straf in de vorm van een verbod om in een bepaald gebied te zijn
- (religie) (rooms-katholiek) uitsluiting uit de kerkgemeenschap
- (juridisch) (historisch) rechtsgebied van een bepaalde stad
- officiële afkondiging
- (verouderd) oproep
- magisch lijkende invloed
- (historisch) titel voor landvoogden in Zuidoost-Europa
Etymologie
**[7] via "ban" van "بان" (bān) "prins, heer, gouverneur"
Uitdrukkingen
- in de ban doen — verbieden, afwijzen
- in de ban doen — uitsluiten van de kerkgemeenschap
- in de ban van — dwangmatig geïnteresseerd in of beheerst/geobsedeerd door
Vertalingen
Engelsanathema, ban, excommunication
Fransanathème, excommunication
Spaansanatema, territorio
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek