ban

mannelijk (de)/bɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) straf in de vorm van een verbod om in een bepaald gebied te zijn
  2. religie (religie) (rooms-katholiek) uitsluiting uit de kerkgemeenschap
  3. juridisch, historisch (juridisch) (historisch) rechtsgebied van een bepaalde stad
  4. officiële afkondiging
  5. verouderd (verouderd) oproep
  6. magisch lijkende invloed
  7. historisch (historisch) titel voor landvoogden in Zuidoost-Europa

Etymologie

**[7] via "ban" van "بان" (bān) "prins, heer, gouverneur"

Uitdrukkingen

  • in de ban doenverbieden, afwijzen
  • in de ban doenuitsluiten van de kerkgemeenschap
  • in de ban vandwangmatig geïnteresseerd in of beheerst/geobsedeerd door

Vertalingen

Engelsanathema, ban, excommunication
Fransanathème, excommunication
Spaansanatema, territorio