bedenken

/bəˈdɛŋkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) gedachten laten gaan over, denken over, overwegen
    Zij zaten te bedenken wat ze nu weer eens konden gaan doen.
    Terwijl ik goedkeurend met mijn vinger langs de vergulde lambrisering streek, de dikte voelde van de stof van de zware, oker overgordijnen en de stoel wegschoof om de openslaande deuren te openen naar het terras, dat uitzicht bood op de rozentuin, of wat daarvan over was, en de vijver met de defecte fontein, bedacht ik dat ik nog tijd genoeg zou hebben om deze kamer en detail te beschrijven.
    Zo ver je kon kijken waren de bergen bedekt met sneeuw, fonkelend in de ochtendzon. En dan te bedenken dat het hoogzomer was. Het was net een sprookje.
  2. ov (ov) door nadenken vinden, verzinnen
    Die ingenieurs bedachten voor ons een oplossing.
    Dat komt doordat voor die maand nog niet bekend is welke vliegmaatschappij per dag hoeveel stoelen moet opgeven. Voor juli, de allerdrukste maand, is dat inmiddels wel duidelijk en bekend bij de betrokken partijen. Maar dan moeten de luchtvaartmaatschappijen en touroperators nog bedenken hoe ze dat in de praktijk invullen.
  3. ov (ov) iets schenken aan
    Ik zal je wel in mijn testament bedenken.
  4. refl (refl) zich ~: op een besluit terugkomen, van gedachten veranderen
    Hij bedacht zich snel, omdat hij dat klusje niet uit wilde voeren.

Etymologie

*Afgeleid van denken

Vertalingen

Engelsthink, devise, think of
Fransréfléchir à, inventer, trouver
Duitsbedenken, ausdenken, bedenken
Spaanspensar, considerar, meditar