benauwing
vrouwelijk (de)/bə'nɔuwɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iets waarvan men benauwd of bang wordtToen ik ontwaakte was ik lang in helderen en doffen staat van tusschen slaap en waken en hoorde ik tegen de benauwing eener duistre zwaarte die over mij was, mijn andre zelf de woorden spreken: ‘alles is goed en zal tot Schoonheid wederkeeren’. (1982)–Lodewijk van Deyssel [https://www.dbnl.org/tekst/deys001pric02_01/deys001pric02_01_0106.php Het leven van Frank Rozelaar]
Etymologie
* van benauwen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek