beroep
onzijdig (het)/bəˈrup/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (economie) een bezigheid waarmee men de kost verdientHij is bakker van beroep.Toch was hij ook eigen plannen gaan ontwikkelen. Hij wilde weg, hij voelde wel wat voor Tonkin, al wist hij zelf niet goed waarom. In ieder geval wilde hij het beroep van boekhouder opgeven en iets anders gaan doen. {{Aut|Lemaitre, PierreZe stond achter de coulissen op haar beurt te wachten en sprak ondertussen met een van de meiden die van modellenwerk hun beroep hadden gemaakt.
- (juridisch) dringend verzoek om hulp of bijstand, appelik doe hierbij een dringend beroep op je
- (juridisch) in beroep gaan: verzoek bij een hogere rechtsinstantie om herziening van een vonnis of beschikking (een rechtsmiddel)Na de uitspraak van de rechter ging hij direct in beroep.
- (juridisch) in hoger beroep gaan: verzoek bij een hogere rechtsinstantie om herziening van een vonnis of beschikking (een rechtsmiddel)Het gerechtshof in Amsterdam heeft Keith Bakker woensdag in hoger beroep veroordeeld tot achttien maanden cel voor het verkrachten van een minderjarig meisje. Het OM eiste eind juni zes jaar cel en tbs met dwangverpleging, maar de straf viel fors lager uit. Volgens het hof is bewijs voor dwang in de relatie niet gevonden.Na de uitspraak van de rechter ging hij direct in hoger beroep.
- (juridisch) (België) hof van beroep: de rechtbank die het hoger beroep behandeld.
Etymologie
*afgeleid van de stam van het werkwoord roepen
Uitdrukkingen
- een beroep op iets of iemand doen — vragen of iemand iets kan doen
Vertalingen
Engelsprofession, appeal
Fransprofession
DuitsBeruf
Spaansoficio, profesión, apelación
Poolszawód
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek