bezweten

/bəˈzwetə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) door transpiratie natmaken
    (…) de fabrikant belooft je shirts te geven die niet vies kunnen worden en die je ook niet kunt bezweten.
  2. ov, verouderd (ov) (verouderd) met veel inspanning iets doen, bereiken of verwerven
    Maer slaet eens uwe oogen op de hemelsche goederen, en gy zult bevinden dat alle die tydelyke zaeken niet met allen zyn , en dat ze met groote onzekerheid, met swaeren last, en vervolgens met geduerige vreeze en moeyelyke zorgvuldigheid bezweten worden.
    Als men zich realiseert dat hierbij een snelheid wordt gereden van ongeveer 75 km/u en dat de bochten zo dicht op elkaar liggen dat in het geval dat men een bocht onder een ongunstige hoek uitkomt men automatisch de volgende verkeerd ingaat, kunt U zich misschien indenken dan na de finish de rijders kletsnat bezweten zijn van de inspanningen.
  3. refl (refl) een grote inspanning verrichten
    John heeft voor het eerst zijn fiets uitgehaald, en terwijl wij douchen gaat hij zich bezweten.

Etymologie

* "bezweet" met de naamvalsuitgang -en