bomma

vrouwelijk (de)/ˈbɔma/

Wat is de betekenis van bomma?

bomma betekent: (familie) (informeel) moeder van een ouder

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. familie, informeel (familie) (informeel) moeder van een ouder

Voorbeelden van "bomma" in een zin

  • Een altijd goedgemutste bomma, schat van een mens, maar net zoals mijn andere grootouders afkomstig uit een andere tijd, toen thuiswerkende moeders hun kinderen nog op internaat stuurden omdat ze anders in de weg liepen. Kinderen werden toen nog niet doodgeknuffeld, wellicht dachten de mensen toen dat een warm nest er kasplantjes van zou maken. Ik was wel altijd blij toen ik mijn grootouders zag, maar ik miste ze nauwelijks toen ze doodgingen. Mijn ouders, díé zal ik missen als ze dood zijn. De Standaard 26 april 2018 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20180425_03483814 Sire, er zijn geen bompa’s meer]
  • U blijft natuurlijk ook ondernemer. Dat ‘koken zoals de bomma’ en ‘met gezond verstand’ waarmee uw nieuwe kookboek weer wordt gepresenteerd, dat is een helder commerciële identiteit. Duidelijk gepositioneerd tegenover de concurrentie. De Standaard 2 september 2017 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20170831_03045596 ‘Ik wil nog wel eens iets doen in dit leven’]

Betekenis en uitleg van bomma

Het woord 'bomma' is een informele en liefdevolle term voor grootmoeder, vooral in sommige delen van Nederland en Vlaanderen. Het roept warmhartige gevoelens op en wordt vaak gebruikt in een vertrouwde of familiaire context.

Je gebruikt 'bomma' meestal als je het hebt over je eigen grootmoeder of als je praat over grootmoeders in het algemeen in een schertsend of vertederend gesprek. Het woord kan ook een gevoel van verbondenheid en traditie oproepen, vooral in gezinnen waar grootouders een belangrijke rol spelen. Het kan ook een knipoog zijn naar de jongere generatie die met een knipoog naar de ouderwetse waarden van grootmoeders verwijst.

Voorbeelden

  • Na het schoolfeest ging ik bij bomma langs voor haar beroemde appeltaart.
  • Mijn bomma vertelt altijd de leukste verhalen over vroeger, ze is echt een bron van wijsheid.
  • Iedere zondag gaan we met de hele familie naar bomma om samen te eten.

Woordoorsprong

Het woord 'bomma' is afgeleid van het Franse 'mémé', wat ook grootmoeder betekent, en heeft zijn weg gevonden in de Nederlandse en Vlaamse dialecten.

Veelgestelde vragen over bomma

Wat is de betekenis van bomma?

bomma betekent: (familie) (informeel) moeder van een ouder

Welk woordgeslacht heeft bomma?

bomma is een vrouwelijk (de).

Wat zijn synoniemen van bomma?

Synoniemen van bomma zijn: beppe, moeke, moemoe, metjen, metje.

Hoe gebruik je bomma in een zin?

Voorbeeld: “Een altijd goedgemutste bomma, schat van een mens, maar net zoals mijn andere grootouders afkomstig uit een andere tijd, toen thuiswerkende moeders hun kinderen nog op internaat stuurden omdat ze anders in de weg liepen. Kinderen werden toen nog niet doodgeknuffeld, wellicht dachten de mensen toen dat een warm nest er kasplantjes van zou maken. Ik was wel altijd blij toen ik mijn grootouders zag, maar ik miste ze nauwelijks toen ze doodgingen. Mijn ouders, díé zal ik missen als ze dood zijn. De Standaard 26 april 2018 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20180425_03483814 Sire, er zijn geen bompa’s meer]

Etymologie

*Belgisch-Nederlands, (verkorting) van "bonmama"

Vertalingen

Engelsgrandmother, granny