breedsprakigheid

vrouwelijk (de)/bret'sprakəxhɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het (te) veel woorden gebruiken bij het spreken
    Hij verliet de bombastische versmaat met zijn cesuur door de regels in een viervoetig metrum te persen, zoals men in proza met breedsprakigheid strijdt.
    “We hebben duidelijke overeenkomsten, ja. Breedsprakigheid, graag een verhaal vertellen – ook al is het voor de vijftiende keer, creativiteit en vasthoudendheid. Ik moet het namelijk niet hebben van mijn talent, maar van heel erg m’n best doen.”

Etymologie

* afleiding van breedsprakig

Vertalingen

Engelsprolixity