bruidssuiker
mannelijk (de)/'brœytsœykər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- suikergoed (dat de bruid of het bruidspaar uitdeelt)
Etymologie
* In de betekenis van ‘suikergoed’ voor het eerst aangetroffen in 1830
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek
* In de betekenis van ‘suikergoed’ voor het eerst aangetroffen in 1830