cirkelgang

mannelijk (de)/ˈsɪrkəlˌɣɑŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het zich in een rondje voortbewegen en zo weer op de plaats van vertrek aankomen
    Het Evangelie heeft de wereld vanuit Jeruzalem westwaarts bereisd, uitwaaierend naar zuid en oost, en het lijkt inmiddels weer op weg naar Jeruzalem te zijn. Zullen wij in de komende decennia het einde van deze cirkelgang meemaken? De volheid der heidenen, waar Jezus over sprak, lijkt bereikt.
  2. wat men steeds maar weer opnieuw doet of denkt
    Zijn gedachten beschreven eenzelfde cirkelgang als zijn lichaam en er viel hem geen enkele nieuwe gedachte in.