Dag
mannelijk (de)/dɑx/
Wat is de betekenis van Dag?
Dag betekent: (astronomie) de aanwezigheid van elektromagnetische straling op de door de zon bestraalde helft van een planeet, en die vooral effecten als opwarming en verlichting veroorzaakt
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (astronomie) de aanwezigheid van elektromagnetische straling op de door de zon bestraalde helft van een planeet, en die vooral effecten als opwarming en verlichting veroorzaakt
- (tijdrekening), (eenheid) tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn eigen as draait (voor de aarde 24 uur)
- (tijdrekening) tijd tussen zonsop- en zonsondergang
tussenwerpsel
- ontmoetingsgroet
- afscheidsgroet
zelfstandig naamwoord
- touw
- dolk, voegijzer
Voorbeelden van "Dag" in een zin
- In de zomer is het al vroeg dag.
- Neem driemaal per dag deze pillen en u bent zo weer op de been.
- Ze ging naar de zonsondergang kijken vanuit het water, maar kwam er niet meer uit door de sterke stroming. Haar lichaam werd pas dagen later gevonden.
- Op bepaalde tijdstippen van de dag is de kans op verbranding groter dan op andere.
- Als het vandaag dinsdag 26 juli 2016 is, dan is het morgen woensdag 27 juli, overmorgen is het donderdag 28 juli, gisteren was het maandag 25 juli, eergisteren was het zondag 24 juli, terwijl het aanstaande maandag 1 augustus is
Etymologie
*[B] uitspraakvariant van "dagge", zie verder op die pagina
Uitdrukkingen
- fijne dag
- Op de dag — overdag
- Het is kort dag — Er is haast bij
- Aan de dag brengen — Bekendmaken
- Goed voor de dag komen — Een goede indruk maken
- Voor de dag komen — Opduiken
- Pluk de dag — Profiteer van gunstige uren/tijden
- Vandaag de dag — Tegenwoordig, in de huidige tijd
Vertalingen
Engelsday, day, hi
Fransjour, journée, salut
DuitsTag, Tag, Tag
Spaansdía, hola, adiós
Italiaansgiorno, giornata, giorno
Poolsdzień, dzień, cześć
Zweedsdag, dag, hej
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek