duivel

mannelijk (de)/ˈdœyvəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mythologie, religie (mythologie), (religie) de personificatie van het kwaad
    Zoals god en de engelen de personificaties zijn van het goede, zo is de duivel de personificatie van het kwade.
    `Zwarte Piet' of 'Pietje Pik', zo noemde het volk in de middeleeuwen de duivel.
    Was Harald ronduit slecht, een duivel in mensengedaante die je zijn eigen ondergang tegemoet moest laten gaan? Een gruwelijke gedachte, maar als je je gedachten de vrije loop liet kon er van alles bovenkomen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) kwaadaardig persoon
    Hij is een echte duivel.

Etymologie

* via Latijn "diabolus" van Hellenistisch "διάβολος" (diábolos) "lasteraar" in de betekenis van ‘het kwaad als persoon’ voor het eerst aangetroffen in 776

Uitdrukkingen

  • Advocaat van de duivel spelen/zijnIemand die iets verkeerds heeft gedaan, bewust in bescherming nemen
  • Bij de duivel te biecht gaanIets verraden aan de vijand
  • De duivel op het kussen bindenMet iedereen wel raad weten
  • Des duivels zijnHeel kwaad zijn
  • Door/Van de duivel bezeten zijnGek, krankzinnig zijn of zich zo gedragen
  • Een arme duivelEen beklagenswaardige persoon, iemand met wie men medelijden zou moeten hebben
  • Een kaars voor de duivel brandenIets slechts vergoelijken/Eer betuigen aan iemand die slechte dingen doet
  • Geen duivel op zijn hart laten barstenOprecht alles zeggen wat men vindt (≈geen blad voor de mond nemen, van zijn hart geen moordkuil maken)

Vertalingen

Engelsdevil
Fransdiable
DuitsTeufel
Spaansdiablo
Italiaansdiavolo
Portugeesdiabo
Russischдьявол
Chinees惡魔, 恶魔
Japans悪魔
Koreaans악마
Poolsdiabeł
Zweedsdjävul, jävul
Deensdjævel