echtgenoot

mannelijk (de)/ˈɛxtxəˌnot/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. familie (familie) een mannelijke huwelijkspartner
    De vrouw en haar echtgenoot beleefden een romantische huwelijksreis.
    Zouden de fysieke verschillen tussen wijlen mijn echtgenoot en mijn nieuwe vriend een logisch gevolg zijn van het verschil in hun levensstijl? Arend zat een groot deel van de dag in zijn werkkamer - met sigaar - waar hij klanten, architecten en onderaannemers ontving, terwijl Giorgos het grootste deel van zijn leven op een steiger stond.
    En opeens was er ook geen echtgenoot.
  2. familie (familie) een huwelijkspartner

Etymologie

* In de betekenis van ‘man met wie iemand getrouwd is’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1631

Vertalingen

Engelshusband, spouse
Fransmari, époux
DuitsEhemann, Gatte
Spaansesposo, marido
Italiaansmarito, sposo
Portugeesmarido, esposo
Russischмуж
Turkseş, koca
Poolsmąż
Zweedsmake
Deensægtemand