groeitijd
mannelijk (de)/ˈɣrujtɛit/
Wat is de betekenis van groeitijd?
groeitijd betekent: de periode van het jaar dat iets groeit
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de periode van het jaar dat iets groeit
- de totale tijd die nodig is voor het groeien
- de tijd dat iets groeit
Voorbeelden van "groeitijd" in een zin
- Paddenstoelen hebben hun groeitijd vooral in de herfst.
- Sommige houtsoorten hebben een langere groeitijd dan anderen.
- In de groeitijd van de economie zijn er veel te veel kantoren gebouwd.
Veelgestelde vragen over groeitijd
Wat is de betekenis van groeitijd?
groeitijd betekent: de periode van het jaar dat iets groeit
Hoeveel betekenissen heeft groeitijd?
groeitijd heeft 3 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Welk woordgeslacht heeft groeitijd?
groeitijd is een mannelijk (de).
Hoe gebruik je groeitijd in een zin?
Voorbeeld: “Paddenstoelen hebben hun groeitijd vooral in de herfst.”
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek