handvat

onzijdig (het)/ˈhɑntfɑt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. deel van een voorwerp dat bedoeld is om het verplaatsen, optillen of anderszins hanteren ervan gemakkelijker te maken
    Het handvat was afgebroken.
  2. figuurlijk (figuurlijk) geschikt onderdeel om een geheel te kunnen beheersen of als vertrekpunt voor een actie die op een geheel betrekking heeft
    Als een Marokkaanse weduwe - wonende in Nederland - naar de rechter stapte omdat zij geen genoegen nam met een achtste deel van de erfenis, waren er maar weinig internationale regels die een handvat boden. Het gevolg was dat uitspraken in kwesties als deze niet eensluidend waren.
    Vaak zijn mijn titels beschrijvend. Een titel is een handvat voor de kijker om het beeld te snappen.
  3. figuurlijk (figuurlijk) praktische inleiding
    Zijn „Footsteps” leert je letterlijk in andermans schoenen te staan. Zeer goed handvat voor biografen en life writers.
  4. straattaal, seksualiteit (straattaal) (seksualiteit) mannelijk geslachtsdeel
    ‘Geef mij maar een vrouw met een handvat,’ zong de zeeman voor zich heen.
  5. verouderd (verouderd) lampetkan, kan met water om de handen te wassen
    ... (nadat de dienaars 't handwater uit een kostelijk handvat gereikt hadden) ...
    Nu was het mijn beurt. Ik wierp een vluchtige blik de afgrond in, prikte het handvat van mijn ijsbijl diep de sneeuw in en plaatste mijn voet voorzichtig in het eerste voetspoor.

Etymologie

**[5] "vat" in de betekenis "bewaarplaats voor vloeistof"

Vertalingen

Engelshandle, knob, tongs
Spaansagarradera, agarradero, asa