pik

mannelijk (de)/pɪk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. informeel (informeel) geslachtsdeel van de man, penis
  2. zeis, houweel
  3. (m)/(n); pek, teer
  4. "wrok", "haat", in de uitdrukking
    De pik op iemand hebben.

Etymologie

* [3] Leenwoord uit het Latijn "pix", in de betekenis van ‘teerproduct’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1390.

Uitdrukkingen

  • De pik op iemand hebbenEen wrok jegens iemand koesteren
  • Ergens de pik op hebbenEen hekel aan iets hebben

Vertalingen

Engelsprick, pecker, pickaxe
Fransbite, popol, pioche
DuitsSchwanz, Rute, Pimmel
Spaanspolla, pija, pico
Italiaanspiccone, pece, picca
Poolshuj
Zweedspick
Deenspik, hakke