pik

mannelijk (de)/pɪk/

Wat is de betekenis van pik?

pik betekent: (informeel) geslachtsdeel van de man, penis

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. informeel (informeel) geslachtsdeel van de man, penis
  2. zeis, houweel
  3. (m)/(n); pek, teer
  4. "wrok", "haat", in de uitdrukking

Voorbeelden van "pik" in een zin

  • De pik op iemand hebben.

Betekenis en uitleg van pik

Het woord 'pik' kan verwijzen naar de mannelijke geslachtsorganen, maar het wordt ook informeel gebruikt om iets kleins of onbenulligs aan te duiden. In de juiste context kan het dus zowel een anatomische als een speelse betekenis hebben.

Je gebruikt 'pik' vaak in informele of humoristische gesprekken, vooral onder vrienden. Het woord kan als scheldwoord worden gebruikt, maar ook als een grappige term in een luchtige discussie. Let op de situatie; niet iedereen waardeert het gebruik van dit soort taal in formele settings.

Voorbeelden

  • Hij dacht dat hij met zijn nieuwe auto indruk zou maken, maar het was eigenlijk maar een pik in vergelijking met de anderen.
  • Toen hij viel, maakte hij een grappen over zijn pikke stunt, wat iedereen aan het lachen maakte.
  • Ze noemde hem een pik als hij weer eens te laat was voor de afspraak.

Woordoorsprong

De herkomst van 'pik' is onzeker, maar het wordt vaak in verband gebracht met oudere Germaanse woorden die een soortgelijke betekenis hebben. Het kan ook verwant zijn aan woorden die 'klein' of 'onbenullig' betekenen.

Veelgestelde vragen over pik

Wat is de betekenis van pik?

pik betekent: (informeel) geslachtsdeel van de man, penis

Hoeveel betekenissen heeft pik?

pik heeft 4 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft pik?

pik is een mannelijk (de).

Wat zijn synoniemen van pik?

Synoniemen van pik zijn: fluit, jongeheer, leuter, lid, lul.

Hoe gebruik je pik in een zin?

Voorbeeld: “De pik op iemand hebben.

Etymologie

* [3] Leenwoord uit het Latijn "pix", in de betekenis van ‘teerproduct’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1390.

Uitdrukkingen

  • De pik op iemand hebbenEen wrok jegens iemand koesteren
  • Ergens de pik op hebbenEen hekel aan iets hebben

Vertalingen

Engelsprick, pecker, pickaxe
Fransbite, popol, pioche
DuitsSchwanz, Rute, Pimmel
Spaanspolla, pija, pico
Italiaanspiccone, pece, picca
Poolshuj
Zweedspick
Deenspik, hakke