jongleur

mannelijk (de)/jɔŋˈlør/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. middeleeuwen, cultuur, muziek, verouderd (middeleeuwen), (cultuur), (muziek), (verouderd) een in het Zuid-Frankrijk van weleer, langs kastelen en vorstenhoven rondreizend kunstenaar, acrobaat, musicus, zanger van liederen en voordrager van gedichten, balladen e.d.
    De jongleurs brachten de hovelingen verpozing.
  2. cultuur, muziek, verouderd (cultuur), (muziek), (verouderd) een langs herbergen, jaarmarkten rondtrekkend artiest, goochelaar, acrobaat, muzikant, zanger van liedjes en komediant
    Met z'n grappen, grollen en vrolijke wijsjes bracht de jongleur het publiek in een uitgelaten stemming.
  3. cultuur, beroep (cultuur) (beroep) de artiest die zo veel mogelijk objecten weet op te gooien en weer weet op te vangen, zonder dat er een op de grond terecht komt (die jongleert)
    Wat die jongleur doet moet je jong leren, anders lukt het je nooit.

Etymologie

* van jongleren

Vertalingen

Engelsjongleur, juggler, juggler
Fransjongleur, jongleur
DuitsJongleur, Spielmann
Spaansmalabarista
Italiaansgiocoliere
Zweedsjonglör