klappen

/ˈklɑpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) als vertoon van bijval, dank of bewondering de open handen ineenslaan
    Het publiek klapte beleefd, maar meer ook niet.
  2. erga (erga) plotseling een luid geluid voortbrengen
    De omvallende fiets klapte tegen de vloer.
    Met de punt van een speld liet zij de ballonnen klappen.
  3. inerg, informeel (inerg) (informeel) praten op een gemoedelijke of niet ernstige manier
  4. ov (ov) zo bewegen of raken dat het plotseling een luid geluid maakt
    Hij boos klapte hij de borden op tafel.

Etymologie

*[4] in de betekenis 'klappen geven' aangetroffen vanaf 1627

Uitdrukkingen

  • iets met rake klappen bekopen

Vertalingen

Engelsclap, applaud, smack
Fransapplaudir
Duitsapplaudieren, klatschen