klos
mannelijk/vrouwelijk (de)/klɔs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (techniek) spoel waaromheen een draad gewonden isHeb je nog een klosje van deze rode draad?
- (persoon) iemand die ergens flink nadeel van ondervindt, soort van slachtofferDe milieubewuste automobilist is de klos.
- (spel) (biljart) mislukte stoot doordat de speelbal op weg naar de derde bal nog eens tegen de tweede bal botstDe speelbal loopt voorop om een klos te vermijden.
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘spoel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1630
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek