klos

mannelijk/vrouwelijk (de)/klɔs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) spoel waaromheen een draad gewonden is
    Heb je nog een klosje van deze rode draad?
  2. persoon (persoon) iemand die ergens flink nadeel van ondervindt, soort van slachtoffer
    De milieubewuste automobilist is de klos.
  3. spel (spel) (biljart) mislukte stoot doordat de speelbal op weg naar de derde bal nog eens tegen de tweede bal botst
    De speelbal loopt voorop om een klos te vermijden.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘spoel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1630