levensgezel
mannelijk (de)/'levə(n)sxəzɛl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- degene met wie iemand het leven deelt en samenwoontSportfanaat Wüst gaat niet alleen voor de zon en voor de rust samen met haar levensgezel Letitia de Jong, Nederlands kampioene sprintvierkamp, naar het paradijselijke eiland. "Ik kan mezelf toch niet lang koest houden. Ik ga zeker weer een beetje surfen, zoals een paar jaar geleden op Bali.de Telegraaf 07 mrt. 2018 [https://www.telegraaf.nl/sport/schaatsen/1761355/wust-op-recordjacht-heel-mooie-momenten Wüst op recordjacht: 'Heel mooie momenten']Door de blunder van de schutter heeft Stefans zoontje geen vader meer en verloor zijn vriendin Janke haar levensgezel.de Telegraaf JOHN VAN DEN HEUVEL EN MICK VAN WELY 29 mrt. 2017 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/95216/alweer-de-verkeerde Alweer de verkeerde]
Vertalingen
Engelslife partner, consort, life companion
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek