marode

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een vervelende toestand
  2. op marode gaan: aan de boemel gaan
    Pietje de dood trok de voorbije maanden op marode door Gent. Magere Hein heeft met de spreekwoordelijke zeis eigenzinnige en unieke figuren uit het culturele leven van de Arteveldestad weggemaaid.
  3. in marode zitten: in de problemen zitten

Etymologie

*uit het Frans