marode
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een vervelende toestand
- op marode gaan: aan de boemel gaanPietje de dood trok de voorbije maanden op marode door Gent. Magere Hein heeft met de spreekwoordelijke zeis eigenzinnige en unieke figuren uit het culturele leven van de Arteveldestad weggemaaid.
- in marode zitten: in de problemen zitten
Etymologie
*uit het Frans
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek